Naar de inhoud springen

FAQ
Veelgestelde vragen over ultrasone debietmeting

Katronic ontwikkelt en produceert al 30 jaar clamp-on ultrasone debietmeters voor industriële toepassingen. Op basis van deze ervaring beantwoorden we hieronder veelgestelde vragen over de technologie, de installatie en de werking van onze systemen. Neem gerust contact met ons op als u nog vragen heeft of specifieke wensen.

Installatie en inbedrijfstelling

 

Hoe installeer je een ultrasone debietmeter?

De clamp-on-sensoren worden aan de buitenkant van de buis gemonteerd – de leiding hoeft dus niet te worden geopend. De bevestiging gebeurt met behulp van metalen kettingen, metalen banden of montagerails. Aan de onderkant van de sensorkop wordt koppelpasta aangebracht om een akoestische koppeling tussen de sensor en de buis te waarborgen.

Voordelen van de installatie:

  • Geen onderbreking van het proces
  • Geen ingrepen in de leiding
  • Geen risico op lekkage
  • Installatie binnen enkele minuten mogelijk

In de meeste gevallen is geen voorbereiding van het leidingoppervlak nodig. Alleen zeer ruwe of gecorrodeerde delen moeten vooraf glad worden geschuurd.

De Katronic-apparaten beschikken over een akoestische sensorpositioneringsassistent en een geïntegreerde installatieassistent die u stap voor stap door het installatieproces leidt. Hierdoor is het mogelijk om het meetsysteem binnen enkele minuten in te stellen en correcte meetwaarden te verkrijgen.

Kunnen ook niet-gestandaardiseerde media worden gemeten?

Ja. Naast een geïntegreerde mediabibliotheek met gestandaardiseerde vloeistoffen en gassen kunnen ook door de gebruiker gedefinieerde stofgegevens worden ingevoerd. Selecteer hiervoor in het mediakeuzemenu „Gebruiker“. Vervolgens vraagt de debietmeter om de volgende drie parameters in te voeren:

  • Kinematische viscositeit (mm²/s)
  • Dichtheid (kg/m³)
  • Geluidssnelheid in het medium (m/s)

Vaak is de geluidssnelheid van een medium (de voortplantingssnelheid van geluid in een vloeistof) niet bekend. In dat geval vindt u in de bijlage bij de gebruiksaanwijzing een lijst met parameters voor niet-gestandaardiseerde media. Mocht u daar geen geschikte waarden vinden, neem dan contact op met onze technische ondersteuning.

Houd er rekening mee dat handmatig ingevoerde parameters alleen geldig zijn voor de telkens opgegeven temperatuur.

Voor eerste schattingen kan ook een waterachtig medium worden gebruikt. Selecteer hiervoor in het menu het medium „Water“. Hoewel deze instelling niet exact is, heeft water gemiddelde materiaaleigenschappen die nodig zijn voor de drie meetparameters van de debietmeter. De keuze voor „water“ in plaats van een ander medium is weliswaar niet optimaal, maar maakt wel eerste oriënterende metingen mogelijk. Houd er rekening mee dat rivierwater, afvalwater, deioniseerd water of zuiveringsslib eveneens als „water“ worden beschouwd en zich alleen onderscheiden in het gehalte aan vaste stoffen.

Voor nauwkeurige metingen worden echter projectspecifieke materiaalgegevens aanbevolen.

Moet bij gelakte leidingen de coating worden verwijderd?

Nee, zolang de laklaag goed hecht en egaal is. Alleen bij afbladderende of meerdere, verschillende coatings moet het oppervlak plaatselijk worden voorbehandeld met een geschikt schuurmiddel.

Technische gegevens en apparaatkenmerken

 

Welke meetnauwkeurigheid wordt bereikt?

De haalbare nauwkeurigheid hangt af van het toepassingsgebied van de debietmeter:

  • Volumestroom zonder proceskalibratie: ±1 % tot ±3 %
  • Met proceskalibratie ter plaatse: ±0,5 %
  • Stroomsnelheid: ±0,5 %
  • Meetbaar bereik van de stroomsnelheid: 0,01 tot 25 m/s; reproduceerbaarheid: 0,15 % van de meetwaarde.

Welke buisdiameters kunnen worden gemeten?

De clamp-on-sensoren van Katronic zijn geschikt voor een zeer breed bereik aan buisdiameters, van 10 mm tot 6500 mm.

Is regelmatig onderhoud nodig?

Nee. De meetapparaten werken slijtagevrij, omdat:

  • er geen bewegende onderdelen zijn,
  • er geen componenten worden gebruikt die in contact komen met het medium en
  • de sensoren aan de buitenkant van de buiswand zijn bevestigd en van roestvrij staal zijn vervaardigd (opmerking: dit geldt voor alle typen behalve de P-sensoren).

Corrosie, drukbelasting of invloeden van het medium hebben geen invloed op de sensoren. Onderhoud is daarom niet nodig.

Hoe lang gaat de batterij mee bij draagbare apparaten?

Bij een volledig opgeladen accu werken de draagbare meetapparaten KATflow 200 en KATflow 230 tot 24 uur in continu bedrijf. De volledige oplaadtijd bedraagt daarbij ongeveer twaalf uur.

Geactiveerde analoge uitgangen of extra functies van de KATflow 230 verhogen het energieverbruik, waardoor de accuduur afneemt. Schakel de uitgangen in het menu uit wanneer u ze niet gebruikt.

Voor langdurige metingen is de KATflow 210 beschikbaar met een batterijduur van maximaal 100 dagen. Het meetinstrument biedt verschillende batterijconfiguraties en kan in drie verschillende meetmodi worden gebruikt om zo lang mogelijke meetperiodes mogelijk te maken.

Mocht een KATflow-debietmeter de verwachte batterijduur niet halen, neem dan contact op met Katronic of met onze verkooppartners. Alle debietmeters van Katronic kunnen ook op netstroom worden gebruikt en garanderen zo een continue werking, zij het slechts tijdelijk.

Welke kabellengtes zijn er voor sensoren verkrijgbaar?

De standaardkabellengtes variëren – afhankelijk van het type sensor – tussen 2,5 m en 30 m. Optioneel zijn verlengkabels tot 200 m verkrijgbaar. Een gedetailleerd overzicht hierover vindt u in onze productbrochure.

Probleemoplossing

 

Waarom kan de draagbare debietmeter niet worden ingeschakeld?

Zorg er eerst voor dat de debietmeter volledig is opgeladen. Sluit het apparaat aan op de oplader. De debietmeter zou nu moeten inschakelen en het batterij-indicatielampje zou moeten knipperen om aan te geven dat het apparaat wordt opgeladen. Als dit niet het geval is, neem dan contact op met Katronic.

Als de debietmeter op netstroom werkt, schakel hem dan uit, koppel hem los van de stroomvoorziening en probeer hem opnieuw te starten door de <ENTER>-toets ingedrukt te houden.

Als het apparaat nog steeds niet kan worden ingeschakeld, open dan het batterijvak, verwijder de batterijen en controleer de staat ervan. Plaats de batterijen vervolgens weer terug en herhaal het

opstartprocedure. Blijft het scherm donker, dan moeten de accu’s mogelijk worden vervangen. Neem voor meer informatie contact op met de fabrikant.

Waarom kan de stationaire debietmeter niet worden ingeschakeld?

Alle vast geïnstalleerde debietmeters schakelen automatisch in zodra er stroom wordt geleverd. Als dit niet gebeurt, voer dan de volgende controles uit:

1. Controleer de stroomtoevoer:

Controleer met een multimeter of er stroom staat op de hoofdaansluiting van de debietmeter.

2. Zekeringen controleren:

Controleer de zekeringen van de debietmeter en vervang deze indien nodig.

3. Bekabeling controleren:

Gebruik het schakelschema in de handleiding om te controleren of de bedrading correct is aangelegd.

4. Controleer de voedingsspanning:

Zorg ervoor dat de debietmeter wordt gevoed met de voorgeschreven spanning. Als een daarvoor bestemd AC-/DC-meetapparaat een onjuiste voedingsspanning aangeeft, koppel het apparaat dan onmiddellijk los van de stroomvoorziening en neem contact op met onze technische ondersteuning, aangezien er mogelijk schade aan de elektronica is ontstaan.

Waarom geeft een Pt 100-temperatuursensor +800 °C aan?

Deze waarde is een foutmelding en betekent doorgaans:

  • De Pt 100-temperatuursensor is niet correct aangesloten op de debietmeter,
  • de Pt 100-temperatuursensor is defect,
  • een onderbreking in de kabel of
  • verkeerde bedrading.

Raadpleeg de gebruiksaanwijzing voor informatie over de juiste bedrading. Na een correcte

aansluiting werkt de temperatuurmeting weer naar behoren.

Wat moet je doen als er een goed signaal is, maar er geen doorstroming wordt weergegeven?

In de meeste gevallen ligt de oorzaak niet bij het meetapparaat, maar bij de procesomstandigheden.

Controleer eerst de volgende punten:

  1. Is er daadwerkelijk een doorstroming?
  2. Is de leiding volledig gevuld?
  3. Zijn de afstand tot de sensor en de uitlijning van de sensor correct?
  4. Liggen de signaal- en ruiswaarden binnen de toegestane grenswaarden?

Druk hiervoor op <DISP> op het toetsenbord van de debietmeter om het diagnoseniveau in het menu te openen, en vervolgens op <NEXT> totdat de volgende waarden worden weergegeven:

  • Versterking (Gain)
  • Signaal
  • Ruis (Noise)

De debietmeter beschikt over deze drie vooraf ingestelde grenswaarden, buiten welke onder normale omstandigheden geen meting mogelijk is:

  • Als het signaal onder -10 dB daalt, is er geen geldige meting mogelijk.
  • Als de ruis > 10 dB stijgt, is er geen geldige meting mogelijk.
  • Als de SNR < 6 dB bedraagt, is er geen geldige meting mogelijk.

SNR (Signal-to-Noise Ratio = signaal-ruisverhouding) is het verschil tussen signaal en ruis; dat wil zeggen dat bijvoorbeeld 15 dB signaal en -15 dB ruis een SNR van 30 dB opleveren.

Als er een sterk signaal wordt weergegeven, maar geen doorstroomwaarde, is de ruis vaak te hoog. Controleer in dat geval de bekabeling van de sensoren op losse draden en overweeg om de kabelafschermingen te aarden.

U kunt ook de bovengenoemde diagnosewaarden noteren en contact opnemen met de technische ondersteuning als het probleem zich blijft voordoen.

Waarom is het signaal te zwak?

Voor een betrouwbare meting moeten minimaal -10 dB signaal en 6 dB SNR worden bereikt. Als deze waarden niet worden gehaald, kan dit de volgende oorzaken hebben:

Luchtbellen of een gedeeltelijk gevulde leiding

  • Als de leiding leeg of slechts gedeeltelijk gevuld is, kan de debietmeter geen voldoende sterk signaal registreren.

Sterk gecorrodeerd of beschadigd leidingoppervlak

  • Roest, afbladderende verf of een ruw oppervlak kunnen de signaaloverdracht verstoren. Reinig de meetplaats en maak het oppervlak indien nodig glad met een vijl, staalborstel, schuurpapier of schuurmachine.

Onjuiste montagepositie

  • Bij horizontaal lopende leidingen moeten de sensoren aan de zijkant worden gemonteerd, niet aan de boven- of onderkant. Meer informatie vindt u in de handleiding, de snelstartgids of in de installatievideo's.

Verkeerde uitlijning van de sensoren

  • Installeer de sensoren op de door de akoestische sensorpositioneringsassistent aanbevolen afstand. De op de sensoren gegraveerde pijlen moeten in de stromingsrichting wijzen.

Onvoldoende koppeling tussen sensor en leiding

  • Breng voldoende koppelingsgel aan op de oppervlakken van de sensoren. Lucht tussen de sensor en de buis verzwakt het signaal aanzienlijk.

Hoog gehalte aan gassen of vaste stoffen in het medium

  • Een hoog gehalte aan gassen of vaste stoffen kan de meting beïnvloeden. Zorg ervoor dat het medium geschikt is voor de meting.

Verkeerde bekabeling van de sensoren (bij vast geïnstalleerde apparaten)

  • Controleer de bekabeling volgens de instructies in de handleiding.

Tip:

Als het signaal nog steeds zwak is, beperk dan het aantal geluidsbanen tot maximaal één om het beschikbare signaal te maximaliseren. Mocht het probleem zich blijven voordoen, neem dan contact op met de technische ondersteuning.

Waarom geeft het apparaat plotseling een debiet van nul aan?

Als de debietmeter eerder continu heeft gewerkt en de meting plotseling stopt, moet u de volgende punten controleren:

1. Controleer de procesomstandigheden

  • Stroomt de vloeistof nog?
  • Is de leiding volledig gevuld?

2. Controleer de installatie van de sensoren

  • Controleer of de sensoren nog stevig aan de leiding zijn bevestigd.
  • Is er een verbinding tussen de sensoren?
  • Controleer de sensoraansluitingen en kabels.

3. Controleer de instellingen in het menu

Open in het menu het item <Systeem – Kalibratie – Nul – Nulvolging> en zorg ervoor dat Nulvolging op <OFF> staat.

Controleer bovendien de demping onder <Output – Weergave – Demping>. Bij wisselende doorstroomomstandigheden wordt een demping van ca. 5 s aanbevolen.

4. Houd rekening met temperatuurschommelingen

Sterke temperatuurschommelingen in het proces kunnen de meting beïnvloeden. Als uw proces onderhevig is aan grote temperatuurschommelingen, kan het zinvol zijn om een Pt 100-temperatuursensor te gebruiken om temperatuurdrift te compenseren.

Onderhoud en kalibratie

 

Is kalibratie nodig voor bepaalde leidingen?

In principe niet. De meting is gebaseerd op de looptijdverschilmethode en vereist geen fabriekskalibratie specifiek voor de buis. Na het invoeren van de toepassingsparameters (buisdiameter, buismateriaal, wanddikte, medium enz.) wordt de bovengenoemde nauwkeurigheid bereikt. Een optionele proceskalibratie ter plaatse kan worden uitgevoerd wanneer er bijzonder hoge nauwkeurigheidseisen gelden.

Wat wordt er in een kalibratiecertificaat bevestigd?

Een kalibratiecertificaat bevestigt dat het gebruikte meetsysteem, bestaande uit een ultrasone debietmeter en een paar clamp-on-sensoren, bij verschillende stroomsnelheden meetwaarden levert die binnen het opgegeven nauwkeurigheidsbereik vallen. Het dient vooral voor kwaliteitsborging of normatieve documentatie, maar is voor het reguliere gebruik niet strikt noodzakelijk. Tegen betaling kan op verzoek van de klant een kalibratie worden uitgevoerd.

Moet de akoestische koppelpasta regelmatig worden vervangen?

Nee. Na een correcte installatie blijft de koppeling permanent stabiel. Alleen bij extreme omgevingsomstandigheden wordt een visuele controle van de sensorbekleding aanbevolen, doorgaans in het kader van een jaarlijkse installatiecontrole.

Gasdebietmeting

 

Waarin verschillen aanvragen voor gasdebietmetingen van die voor vloeibare media?

Vragen over gasdebietmeting zijn doorgaans complexer dan bij vloeibare media en vereisen een grondiger vooronderzoek. De belangrijkste verschillen zijn:

Verschillende soorten golven

  • Vloeistoffen: schuifgolven
  • Gassen: Lamb-golven

Grotere demping bij gassen

  • Gassen dempen het signaal aanzienlijk sterker. Daarom is een hogere energie-inbreng nodig om een bruikbaar signaal te verkrijgen.

Beperkte meetbaarheid

  • Terwijl bij vloeistoffen vrijwel alle media meetbaar zijn, is dit bij gassen slechts in beperkte mate mogelijk.

Afhankelijkheid van procesparameters

  • De meetbaarheid bij gassen hangt sterk af van factoren zoals dichtheid, temperatuur, druk en samenstelling.

Belangrijk:

Bij gastoepassingen is daarom altijd een voorafgaande haalbaarheidscontrole op basis van de toepassingsparameters vereist – doorgaans al vóór het uitbrengen van een offerte.

Welke parameters zijn bij gastoepassingen nodig voor de haalbaarheidsbeoordeling en de keuze van de apparatuur?

Voor de beoordeling van gastoepassingen zijn verschillende toepassingsparameters nodig. Deze zijn bepalend voor de keuze van een geschikt meetapparaat.

Gelieve de volgende informatie te verstrekken:

  • Materiaal van de buis
  • Buisdiameter
  • Wanddikte van de buis
  • Medium / gassamenstelling
  • Bedrijfsdruk
  • Temperatuur
  • Stroomsnelheid

Opmerking: 

Hoe vollediger deze gegevens zijn, hoe sneller en nauwkeuriger de haalbaarheid kan worden gecontroleerd en een geschikt apparaat kan worden geselecteerd.

Privacy settings

We use several types of cookies and integrations on this website to provide you with an optimal online experience, to increase the user-friendliness of our portal and to constantly improve our communication with you. You can decide which categories you want to allow and which you do not want to allow (see "Custom settings" for more information).

Cookies

Name Usage Duration
privacylayerStatus Agreement Cookie hint1 year
PHPSESSIDIdentification of current sessionEnd of session

Cookies

Name Usage Duration
_gaUser identification2 years
_gidUser identification1 day
_gatGoogle Analytics1 minute
_galiGoogle Analytics30 seconds
_ga_CONTAINER-I:fearfulcSession identificationEnd of session
_gac_gb_CONTAINER-I:fearfulcContains information about campaigns and is then read by Google Ads

Integrations

Name Usage
youtubeYoutube video embedding
vimeoVimeo video embedding